Interviews
Interviews
Ik reis als een acteur"
De Vries: ‘Ik heb het vermogen goed te observeren, goed te luisteren, en ik denk dat ik heel eerlijk schrijf. Daardoor herkent een steeds groeiend publiek zich in wat ik meemaak. Van de kritiek krijg ik dan het verwijt dat ik geen stelling neem. Mijn antwoord is dat ik om te beginnen geen journalist ben maar een toneelspeler die ook nog schrijft.
Daar komt nog bij dat ik tijdens een tweejarig verblijf op de Nederlandse Antillen geconfronteerd werd met de absolute nonsens die over dat gebied werden opgeschreven door mensen die er veertien dagen waren geweest. Dat heeft mij in mijn overtuiging gesterkt dat je respect moet betonen voor het land dat je bezoekt. Je moet goed luisteren en ook die stemmen vertolken van mensen die dingen zeggen waar je het niet mee eens bent. Dan pas krijg je een beeld van een land.
Dit onderstreept eens temeer hoe wezenlijk het reizen voor De Vries moet zijn. Wat is er tijdens zijn eerste reis door Zuid-Amerika gebeurd, dat het reisvirus hem zo in zijn greep heeft gekregen? De Vries: ‘Ik denk dat het te maken heeft met de volstrekte onafhankelijkheid die je op reis ervaart. Bovendien word je, als buiten je eigen wereldje begeeft, niet meer beoordeeld op je doen en laten. In mijn beroep word je te allen tijde bekritiseerd. Door collega’s, door recensenten; je leeft in een klein gemeenschap, in een kleine land waar iedereen zich met alles bemoeit en standpunten heeft over van alles, en waar de Amsterdamse grachtengordel het beeld van Nederland bepaalt. Wil je niet tot die grachtengordel behoren en in je piere-eentje leven dan is dat bepaald niet gemakkelijk. Zeker niet in een vak waarin je voordurend in de openbaarheid treedt. Het reizen komt dus onder andere tegemoet aan de behoefte weg te zijn van dat alles. Wanneer ik op reis ben en mensen ontmoet, staan al die gesprekken in dienst van een beter begrip van dat land. Het gaat dan absoluut niet om mijzelf. Als ik zit te schrijven overweeg ik soms het antwoordapparaat aan te zetten, maar doe het dan toch maar niet, want wie weet mis ik dan net die gouden schnabbel. Het is dus altijd hectisch. Een radiogesprek hier, een optreden daar. Je moet voordurend alert zijn, er zijn voordurend verplichtingen. Kortom, altijd hollen, vliegen, rennen en met veel dingen tegelijk bezig zijn. Dat zal allemaal wel met mijn gereformeerde achtergrond te maken hebben. Gij zult werken, werken, werken. Ledigheid is des duivels oorkussen. Op reis valt dat van mij af.’
Reizen betekent voor De Vries een soort rolwisseling. Als acteur is hij gewend zelf in het middelpunt van de belangstelling te staan. Als reisauteur neemt hij de toeschouwersrol op zich, en bestudeert de tonelen die zich voor hem afspelen. Niettemin blijkt uit zijn boeken dat hij zich op reis maar al te graag in een rol laat glijden, wanneer de omstandigheden dat oproepen. De Vries: ‘Ik reis als een acteur. Wanneer iemand zegt: u kunt hier niet in want koning Bhumibol (van Thailand) komt straks, dan speel in binnen drie minuten de rol van een zeer belangrijk journalist die absoluut naar binnen moet, en ik kom binnen. Als ik te horen krijg dat een vliegtuig dat ik wil nemen hartstikke is volgeboekt, luidt mijn antwoord: maar niet voor mij. En na de nodige belangrijkdoenerij zit ik inderdaad in dat vliegtuig. Of neem mijn laatste reis in India. Daar wilde ik perse hoogste weg ter wereld bereizen, van Manali naar Leh in Ladakh, over een hoogte van vijfduizend meter. De directeur van het toeristbureau had gezegd dat de weg open was, maar toen wij er aankwamen bleek dat niet het geval. Op zo’n moment word ik gek en ga ik iets verzinnen. Dus blufte ik mij een weg naar de hoogste generaal van het leger, en wist dank zij veel bombarie mijn zin te krijgen.
Ik speelde een rol. Ook op reis laat die acteursroeping mij klaarblijkelijk nooit helemaal los. Dolf de Vries reist nu enkele decennia door verre, meestal arme landen, en heeft het lot van de bewoners in de loop der jaren veelal niet wezenlijk zien verbeteren. Dan liggen pessimisme en gelatenheid onverbiddelijk op de loer. Hij zelf beaamt dat: ‘Maar je moet het bevechten. Los van het reizen geldt trouwens voor iedereen boven de vijftig dat de gelatenheid dreigt. Ik merk nu al dat sommigen van mijn leeftijdsgenoten het verleden beginnen te idealiseren. Dat is het ergste kwaad dat je kan overkomen. Natuurlijk dreig je op reis soms buitengewoon moedeloos te worden: over het verpesten van het milieu, over de uitzichtloze situatie van een groot deel van de wereldbevolking. Maar je moet je vastklampen aan de positieve dingen. Het schitterende van reizen, met name op de budgetmanier zoals mijn vrouw en ik het doen, is dat je heel veel jonge mensen tegenkomt. Ik vind het heerlijk om met hen te praten en mij in hun opvattingen te verdiepen. Jongeren hebben vaak een veel blijmoediger, idealistischer levensopvatting dan ouderen, en dat is zeer stimulerend.
Rugzak
Het woord ‘rugzak’ in de titels, verwijst overigens niet alleen naar de manier waarop De Vries reist. De term wil ook uiting geven aan een zekere
bescheidenheid. De Vries: ‘Het gaat om mijn persoonlijke ervaringen in zo’n land. Ik verbeeld mij niet het laatste woord te hebben gezegd over een gigantisch land als Indonesië. Ik draag “mijn” deel ervan mee in mijn rugzak.’De bescheiden opstelling die uit de titels spreekt, komt de lezer ook in de boeken zelf regelmatig tegen. Waar sommige reisauteurs geen gelegenheid voorbij laten gaan om hun minachting voor toeristen kenbaar te maken, noemt De Vries zich in zijn Indonesië-boek ‘een toerist. Niets minder, en vooral niets meer’. Hij aarzelt niet zijn onkunde, onbegrip of onhandigheid breed uit te meten.
Zelfspot
De Vries: ‘Zelfspot beschouw ik als een van de belangrijkste eigenschappen die een mens moet hebben. Ik kan niet overweg met mensen die niet om zichzelf kunnen lachen. Zelfrelativering helpt je bij het overwinnen van tegenslagen.












